
Partituren Kadrils 1
Tot halverwege de 17e eeuw waren dansen vooral bedoeld om de individualiteit van de danser op de voorgrond te plaatsen. Dit gebeurde door het nauwkeurig uitvoeren van reeksen ingewikkelde passen.
Met de opkomst van de contradansen werden de zaken als het ware op hun kop gezet. De moeilijke danspassen maakten plaats voor eenvoudige passen, zoals de gaanpas en de hoppas, waardoor meerdere dansparen samen allerlei figuren konden vormen. Vooral de Engelse country-dance verspreidde zich snel over het Europese vasteland.
Aanvankelijk danste men vooral in longways (colonnedansen), maar al vrij snel werden de dansen in vierkantsopstelling (rounds) het populairst. Door bepaalde figuren uit deze dansen vast te leggen en er nieuwe elementen aan toe te voegen, ontstond rond 1750 de quadrille. Oorspronkelijk was dit dus de benaming van één welbepaalde dans en niet, zoals later, van een dansvorm in vierkantsopstelling. In de steden was er op dat ogenblik onvoldoende danstraditie overgebleven om aan de quadrille een eigen karakter te geven.
Op het platteland lag dat anders. Daar werd de kadril gedanst op kermissen en dorpsfeesten en voerden ook de gilden hem uit op teer- en gildefeesten. Het stramien van de quadrille werd weliswaar overgenomen, maar delen uit andere, oudere dansen werden eraan toegevoegd of vervingen sommige oorspronkelijke figuren. Zo ontstonden van streek tot streek, en soms zelfs van dorp tot dorp, verschillende varianten. En iedere gemeenschap verdedigde uiteindelijk haar eigen versie als de enige ‘echte kadril’.
Hier worden onder meer kadrilmelodieën weergegeven uit Kampenhout, Winksele, Elewijt, Everberg … Onze kadrilmelodieën zijn vooral geschreven in functie van de dansfiguren. Muzikale pareltjes zijn er dan ook zelden bij. In een aantal voorbeelden herkent men thema’s uit populaire opera- en operettemelodieën en zelfs uit straatliedjes.
Het verloop van de kadril werd meestal als volgt beschreven. Het orkest speelt eerst, als herinnering, het A-thema van de eerste figuur. Vervolgens wordt de dans aangekondigd en nemen de koppels plaats op de dansvloer. Daarna wordt de eerste figuur ingezet.
In sommige dorpen, zoals Kampenhout, werden de figuren aangekondigd met termen die ontleend zijn aan het Frans: vandeu (avant deux), vantkat (avant quatre), apoel (la poule), pastrel (pastourelle) en galoo (galop). Elders riep men eenvoudigweg ‘eerste figuur’, ‘tweede figuur’, enzovoort. Daarna klonk een kort voorspel of werden er twee maten rust afgeteld: ‘een, twee!’
Op de meeste plaatsen eindigde de dans met het thema van de laatste figuur. Dit werd door het orkest enkele keren herhaald, telkens sneller, tot de dansers uiteindelijk de tapkast bereikten.